Home » Veiligheid » Openbare orde en veiligheid » Het verhaal van een ex-Jehova

Het verhaal van een ex-Jehova

Mijn man en ik geloven nog in God, maar we zullen ons nooit meer aansluiten bij een groep die voor ons gaat bepalen wat waarheid is. Ik hoef niet meer op elke vraag antwoord. Voor onze vroegere geloofsgenoten zijn we gedegradeerd tot afvalligen met wie elk contact vermeden dient te worden.

Frances Peters, coach bij Freechoice en docent op de cursus Bestuurlijke aanpak van radicalisering en terrorisme en de opleiding ketenregisseur risicojeugd, gespecialiseerd in identiteitsontwikkeling en dwingende subculturen en voormalig lid van een religieuze sekte.

Isolement

Bijna vijfenveertig jaar hebben mijn man en ik ons met hart en ziel voor de Jehovah’s Getuigen ingezet, totdat we in ongenade vielen omdat we lastige vragen hadden gesteld. We werden uitgesloten, zelfs familieleden mochten niet meer met ons omgaan. Tot dan toe hadden we dagelijks mensen over vloer, maar na de breuk werd het oorverdovend stil. Jehova’s getuigen vieren geen verjaardagen, geen nationale feestdagen, geen Oud en Nieuw. Het heeft jaren geduurd eer ik uit mijn systeem gebannen had dat we er verkeerd aan deden om in december een kerstboom in huis te halen. Nu maken we er zonder schuldgevoel een paar gezellige dagen van. De kerstboom staat pal voor het raam, dat interesseert me niks meer. Als ik op straat een Getuige tegenkom die ik ken, zal die me niet groeten. Zelf ben ik daar ook mee gestopt. Ik heb er geen behoefte aan om voortdurend afwijzing op te roepen.

Verbondenheid, warmte en erkenning

Mijn moeder was een Engelse, getrouwd met een Nederlandse barkeeper, die ’s nachts werkte en zich niet inspande een band met zijn gezin aan te gaan. Als we ’s avonds aan tafel gingen, zat hij apart omdat hij ongestoord van zijn maaltijd wilde genieten. Ik was nog een baby toen mijn moeder zich aansloot bij de Jehovah’s Getuigen. Later vond ze bij de Engelse geloofsgemeenschap in Zeist de verbondenheid, warmte en erkenning die ze in haar huwelijk had gemist. Op mijn dertiende gingen mijn ouders scheiden. Als jongste van de vier kinderen deed ik erg mijn best om mijn moeder niet teleur te stellen. De scheiding greep haar dermate aan dat ze twee jaar emotioneel onbereikbaar voor ons was.’

Armageddon

‘Als kind voelde ik me op mijn gemak bij de Jehovah’s Getuigen. Vanaf mijn zesde jaar trok ik veel op met Martin. Later zaten we op het gymnasium bij elkaar in de klas en nog later zijn we met elkaar getrouwd. Martin kon goed leren, maar in 1974, op zijn vijftiende, gaf hij er tot woede van de rector de brui aan. Jehova’s getuigen gingen ervan uit dat de wereld in 1975 zou vergaan. Mijn moeder nam als nuchtere Britse een afwachtende houding aan, maar bij Martin thuis stond bij wijze van spreken een vluchtkoffer in de gangkast. Hij stopte met school, zodat hij tijd had nog meer te prediken dan hij al deed voordat een jaar later armageddon zou komen. Ons was verteld dat de gelovige die verzuimde te waarschuwen dat de dag Gods in aantocht was, bloedschuld had. Die wetenschap bracht een loodzware verantwoordelijkheid met zich mee. Ik stopte vrijwel gelijktijdig met school als Martin, maar dat kwam doordat ik overspannen raakte. Achteraf zeg ik: er gebeurde meer dan ik als vijftienjarige emotioneel kon verwerken.

Getrouwe en beleidvolle slaven

De beweging is gebaseerd op het idee dat de leiders zijn uitverkoren om zich als getrouwe en beleidvolle slaven voor Christus in te zetten. Wij volgelingen hobbelden daar achteraan. De organisatie kwam met plannen om jongeren er meer bij te betrekken; Martin en ik togen enthousiast aan de slag als zendelingen in eigen land. Op zondag, dinsdag en donderdag hadden we onze bijeenkomsten, de vergaderingen. We stopten veel tijd in bijbelstudie. En we trokken er dagelijks op uit om te prediken, dat wil zeggen: aanbellen, lectuur aanbieden, het gesprek op het ware geloof brengen. Negenennegentig van de honderd keer werd de deur in je gezicht dichtgesmeten. Dat hoorde erbij. We hadden het idee dat we goed bezig waren. Toen Martin zeventien was, vroeg de organisatie hem de Turkse taal te gaan leren. Het werd belangrijk gevonden om Turken te bereiken, dat was de snelst groeiende groep buitenlanders in Nederland. Toen Martin en ik verkering kregen, ben ik ook op Turkse les gegaan. We trouwden toen we twintig waren. Mijn man en ik waren, zoals dat heette, pioniers. De eerste tien jaar van ons huwelijk hebben we praktisch uitsluitend gepredikt, voornamelijk onder Turken. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat waren we op pad. We hadden geen geld voor een televisie, bovendien zou er geen tijd zijn geweest om te kijken. Hobby’s zouden je kunnen afleiden van belangrijker zaken. Het was fout om tijd aan jezelf te besteden. Om in ons levensonderhoud te voorzien, deden we schoonmaakwerk. Dat leverde een paar honderd gulden per maand op, maar we kregen financiële ondersteuning vanuit de gemeente. We werden vaak uitgenodigd om bij gezinnen te eten.’

Van Satan

‘Zo’n tien jaar geleden groeide bij ons het onbehagen. Mijn man werd als ouderling regelmatig geconfronteerd met zaken waarvan hij zei: dat heeft toch niets met liefde te maken? Zoals een meisje van zeventien dat haar verkering moest beëindigen met een jongen die geen Getuige was. Uiteindelijk werd ze door iedereen, inclusief haar eigen ouders, verstoten. Bloedtransfusies, daar werden we geacht op tegen te zijn, maar waar was het op gebaseerd dat onze twee kinderen niet aan het infuus mochten als hun iets overkwam? De Getuigen zijn heel negatief over de Verenigde Naties, die een wereldmacht claimen die alleen Christus toekomt. Elke politieke bemoeienis wordt verworpen: een Getuige gaat niet naar de stembus, houdt zich afzijdig van een club als Amnesty, is zelfs tegen klassenvertegenwoordigers op school. Ngo’s werden gehekeld omdat dat politieke organisaties zouden zijn. Wij gingen daarin mee, totdat we erachter kwamen dat de Jehovah’s Getuigen zélf ngo’s hadden. Toen we daar vragen over stelden, wer den we afgescheept met een smoes: die ngo’s waren een formaliteit, dat was een manier om een pasje voor een bibliotheek in New York te bemachtigen. Mijn man heeft die bibliotheek een brief geschreven en kreeg te horen dat er geen pasje nodig was om toegang tot de collectie te krijgen. Zo begon het steeds meer te wrikken. Vanwege onze kritische houding kregen we het etiket opgeplakt dat wij van Satan waren. Gaandeweg realiseerde ik me dat we gewoon in een sekte zaten; dat vond ik een harde confrontatie met de realiteit. We waren met de kinderen naar een film aan het kijken toen er werd aangebeld. Mijn man deed open en ik hoorde hem zeggen: dank je wel voor de mededeling. Hij kwam binnen en zei: “Dat was Jan, hij kwam ons vertellen dat we uitgesloten zijn.” Daarna gingen we gewoon door met naar de film kijken.’

Impact

‘Aanvankelijk voelde de uitsluiting als een opluchting, totdat we de emotionele impact van de maatregel aan den lijve ondervonden. We gingen een eenzame periode tegemoet. Ik voelde me het meest schuldig tegenover de kinderen, die in hetzelfde zwarte gat waren beland als wij, maar daar niet om gevraagd hadden. Binnen de groep had ik me altijd goed kunnen redden, maar nu werd ik teruggeworpen op mezelf. Ik was verschrikkelijk verlegen en benauwd om de confrontatie met anderen aan te gaan. Om mijn beperkingen te overwinnen, ben ik bij het restaurant van de Hema gaan werken. Bij mijn sollicitatie heb ik eerlijk gezegd dat ik op het sociale vlak tekortschoot en mijn mensenvrees wilde overwinnen. “Gaan we doen,” zei de cheffin.

Nieuw leven

Mijn collega’s waren in de twintig, zelf was ik bijna vijftig. Als ik een kopje liet vallen, barstte ik in snikken uit. Ik liet een keer een pan soep op de grond kletteren omdat ik stiknerveus werd van een klant die begon te mopperen dat ik bij het opscheppen had gemorst. Maar die tweeënhalf jaar bij de Hema had ik voor geen goud willen missen. Was er een lastige klant, dan schoot een collega te hulp om de boel te sussen. Gaandeweg keerde mijn zelfvertrouwen terug. Toen ik daar doorheen was, heb ik twee opleidingen in één jaar gedaan: de verplichte cursus van de Hema tot horeca-assistent en een opleiding aan de Academie voor Counselling en Coaching. Mijn man heeft van communiceren in het Turks zijn beroep gemaakt: hij werkt als juridisch tolk/vertaler. Zelf coach ik oud-sekteleden bij het proces om los te komen van het verleden. Maakt niet uit of ze bij Scientology of Hare Krishna hebben gezeten, ik herken de mechanismen, de emotionele chantage, het structureel geestelijk misbruik. Ik begeleid bij het maken van keuzes, het hervinden van identiteit en het overwinnen van schaamte over aangeleerde hulpeloosheid. Martin en ik zijn door de breuk met de Jehovah’s Getuigen anders tegenover elkaar komen te staan. Negen van de tien huwelijken stranden in zo’n situatie. De echtelieden stappen samen uit de geloofsgemeenschap, maar na het wegvallen van de groepsidentiteit blijkt dat ze nog weinig met elkaar gemeen hebben. Martin en ik zijn andere mensen geworden en hebben een ander huwelijk dan voorheen. Dat was onze redding.’

Meer weten?
Op het congres Radicalisering en terrorisme leert u hoe u misstanden veroorzaakt door (religieuze) radicaliserende groeperingen voorkomt.

Op de cursus Bestuurlijke aanpak van radicalisering en terrorisme leert u hoe u dwingende groepsculturen herkent en opvang en hulpverlening biedt aan uittreders van dwingende groepen.

Op de opleiding ketenregisseur risicojeugd leert u hoe u komt tot een integrale persoonsgerichte aanpak van risicojongeren.

Over Frank van Summeren

Frank van Summeren
Congres- en opleidingsmanager veiligheid bij het Studiecentrum voor Bedrijf en Overheid.

Bekijk ook

Formele start Samen tegen mensenhandel

Het programma Samen tegen mensenhandel is op 4 december formeel gestart. Staatssecretaris Harbers opende de …

èèn Reactie

  1. Lees gewoon de site , ANTWOORDEN VOOR JEHOVAH GETUIGEN , eens door .
    Daar wordt hun organisatie en dwaalleer ontmaskerd, dit hoeft geen 45 jaar te duren.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *