Home » Veiligheid » Openbare orde en veiligheid » Wel blauw op straat, maar te weinig opsporing

Wel blauw op straat, maar te weinig opsporing

De georganiseerde misdaad heeft vrij spel. Dat vindt een meerderheid van de wijkagenten in ons land. Er zijn duizenden rechercheurs extra nodig om tegen criminelen op te treden.

Edward van der Torre, onderzoeker bij Bureau Lokale Zaken, lector aan de Politieacademie, docent op de cursus Bestuurlijke aanpak van ondermijning.

Dat blijkt uit onderzoek van de Politieacademie in opdracht van de Nationale Politie. Wijkagenten zien vaak van dichtbij georganiseerde misdaad, zonder dat deze verder wordt aangepakt. Het is vaak een lang, bureaucratisch traject om het te laten komen tot een opsporingsonderzoek. Dit gaat zo moeizaam dat politiemensen vaak weinig doen met informatie over georganiseerde misdaad.

Meer aandacht voor aangiftecriminaliteit

Nederland telt 168 zogenoemde basisteams, met elk circa 10 rechercheurs, vertelt onderzoeker Edward van der Torre. ‘En die zijn alleen maar bezig met aangiftecriminaliteit.’ Je moet hierbij vooral denken aan losse diefstallen. Edward van der Torre: ‘Op het moment dat er een wijkagent komt die zegt ‘ik heb hier een criminele familie, er moet echt eens wat gebeuren’, dan kan daar geen opsporingsonderzoek ingesteld worden. Dan moet je gaan shoppen in de organisatie. Dan begint er een heel ingewikkeld traject. Zo ingewikkeld, dat behoorlijk wat wijkagenten een beetje afhaken, die raken daar geïrriteerd over. Ook burgemeesters zien dit in toenemende mate.’

Opsporing wordt ondermijnt

Volgens Edward van der Torre ondermijnt dit de opsporing. ‘Heel veel mensen hebben gezegd: we moeten de wijkagent centraal stellen. Dan vind ik ook dat je naar ze moet luisteren’, zegt hij. ‘Wijkagenten kunnen veel zien, maar op het moment dat zij zo’n familie in beeld hebben… ze kunnen er niet zelf de hele dag achteraan gaan rijden, dat moeten andere mensen gaan doen.’

Meer weten?

Over Frank van Summeren

Frank van Summeren
Congres- en opleidingsmanager veiligheid bij het Studiecentrum voor Bedrijf en Overheid.

Bekijk ook

Intensivering militaire missie in Afghanistan en stoppen in Mali

De ministerraad heeft ingestemd met de verlenging en meerjarige intensivering van de Nederlandse bijdrage aan …

èèn Reactie

  1. Ik ga een heel eind met Edward mee. Echter ook de wijkagenten hebben een eigen ‘intelligence’ verantwoordelijkheid!

    Al geruime tijd worstelen overheden en maatschappelijke organisaties met het omgaan met buurten die niet functioneren. Spreken we bijvoorbeeld in Nederland over falende buurten wanneer we spreken over Slotervaart, de Schilderswijk of Ondiep? In het boek ‘De achterkant van Nederland’ (Tops & Tromp 2017) wordt duidelijk dat zowel politieke ambtsdragers als beleidsmedewerkers geen idee hebben hoe om te gaan met dit soort buurten. Dat is ook niet verwonderlijk wanneer je bekijkt hoeveel nieuwe wetgeving in korte tijd is ingevoerd. Denk aan de nieuwe Jeugdwet, de Wet Maatschappelijke Ondersteuning of de Omgevingswet. Niet alleen buurten kunnen problematisch zijn. Ook op andere locaties, ik denk hierbij aan – recentelijk in het nieuws – campings zoals Camping Fort Oranje bij Rijsbergen in West-Brabant , waar gemeenten geen greep op hebben. Het zijn geen unieke locatie volgens bestuurders en opsporingsdiensten. Volgens mij hebben veel OvJ’s ook geen beelden bij ‘falende buurten’. Wat je niet kent, zie je niet al kijk je er naar!

    Dat wijkagenten lopen te leuren met hun ‘kennis’ is niet nieuw. Uit een steekproef in mijn oude korps voor het project ‘buurtregie’ bleek het ons als onderzoekers dat die wijkagenten ook veel ‘kennis’ voorzichzelf hielden. Dat ontlokte de korpschef tijdens een Managementoverleg de opmerking dat hij niet moest merken dat een ‘diender’ informatie achter hield; dat dit nogal ernstige gevolgen zou kunnen hebben. Gegevens die je als (wijk)agent verzameld dienen dan ook verwerkt worden in de daarvoor bestemde systemen. Dat met die gegevens niet altijd direct wat wordt gedaan is niet aan de wijkagent. Sinds Van Traa is er een hele circus bedacht van stuurploegen ed om te besluiten wat er met verwerkte gegevens wordt gedaan. Dat geldt in het bijzonder voor criminele samenwerkingsverbanden (families inkluis). Mijn frustratie is daarbij dat er te vaak een ‘politiek gestuurde’ keuze wordt gemaakt door de OvJ. Immers de OvJ is leider onderzoek.

    De wijkagent zou zich meer moeten zien als een vooruitgeschoven pion in de intelligencecyclus. In dit geval in de zin van humanintelligence, door je zintuigen te gebruiken, mensen te ‘interviewen’ en deze informatie te verwerken. Met andere woorden ‘dossiers vormen’. Op de duur kan men er niet onderuit om actie te ondernemen. Daarnaast zou ‘de wijkagent’ meer moeten samenwerken met andere (bijzondere) opsporingsdiensten en (bevoegde) lokale BOA’s. Er liggen veel verborgen bevoegdheden bij anderen. Denk ook eens aan de RIEC’s, naast de FIOD ook aan de Belastingdienst, de inspecties!

    Binnenkort verschijnt in samenwerking met de UvA, van mijn hand een artikel over het gebruik van GEO- informatie in de opsporing en handhaving m.n. voor de OOV sector bij de gemeenten. Gericht op een preventieve strategie door het ‘wegen van de zwaarte van buurten’. Ook daar kan nog wel wat verbeteren.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *