Home » Veiligheid » Witteboorden criminelen in het onderwijs

Witteboorden criminelen in het onderwijs

Door Emile Kolthoff, hoogleraar Criminologie aan Open Universiteit en docent op de opleiding Integriteitscoördinator in het publieke domein en de cursus aanpak bedrijfscriminaliteit.

Steeds vaker zijn in de media berichten te vinden over fraude en andere misstanden in het (hoger) onderwijs. In het algemeen worden de gebeurtenissen in deze berichten benaderd als op zichzelf staande incidenten of als een managementprobleem. Het is opmerkelijk dat het onderwijs geen ruimere belangstelling geniet vanuit de criminologie. Veel van de hier bedoelde ontwikkelingen vallen immers onder de definitie van de zogenaamde witteboordencriminaliteit.

Witteboordencriminaliteit

Witteboordencriminaliteit is een letterlijke vertaling van het Engelse White-collar crime. Een begrip dat in 1947 al door Edwin Sutherland werd geïntroduceerd vanuit de toen opkomende kritische criminologie en dat de aandacht vestigde op het tot dan toe niet zo ingeburgerde besef dat criminaliteit ook werd gepleegd door leden van de hogere klassen – die witte boorden droegen. Het begrip is later door vele onderzoekers verder doorontwikkeld en thans is er redelijke consensus over een tweetal begrippen die de term white-collar crime hebben vervangen: ‘occupational crime’ en ‘organizational crime’. Bij occupational crime pleegt iemand misdrijven ten eigen voordele, waarbij hij gebruikmaakt van de middelen of de gelegenheid die de organisatie waarin hij werkt hem biedt. Organizational crime of in het Nederlands organisatiecriminaliteit is lastiger te definiëren. Het betreft hier misdrijven die iemand pleegt, zonder dat hij primair eigen gewin voor ogen heeft. Veelal handelt de dader in het (vermeende) belang van de organisatie, of zelfs in opdracht van (anderen in) de organisatie.

Affaire Inholland

Een voorbeeld van dergelijk gedrag speelde in 2010 bij de affaire Inholland, die inhield dat de Hogeschool Inholland via een alternatieve route niet afgestudeerde oudejaarsstudenten (vijfdejaars en ouder) zo snel mogelijk liet afstuderen. Het motief dat Inholland voor het organiseren van een alternatief afstudeertraject zou hebben was van financiële aard: door niet afgestudeerde ouderejaarsstudenten alsnog snel een diploma te laten halen, zou de hogeschool voorkomen dat het de bonus zou mislopen die de overheid verstrekt aan de hogeschool op het moment dat een student afstudeert.

Naar aanleiding van de affaire Inholland heeft de Inspectie van het Onderwijs onderzoek gedaan naar alternatieve afstudeertrajecten en de bewaking van het eindniveau in het hoger onderwijs. Uit het onderzoek kwam naar voren dat er bij een aantal opleidingen sprake was van: ‘essentiële gebreken in of ernstige twijfels over de praktijk van de examinering of de niveaubewaking.’ Verder gaf de inspectie aan dat bleek dat bij alle vijftien onderzochte opleidingen de wet- en regelgeving rond het afstuderen onvoldoende werd nageleefd. De inspectie trof geen fraude aan en ze vond geen aanwijzingen dat medewerkers regels hebben geschonden om daar zelf beter van te worden. Dat laatste lijkt geen voorwaarde om van fraude te spreken. Strafrechtelijk zou je de discussie aan kunnen gaan of hier niet sprake is van valsheid in geschrifte, oplichting of zelfs omkoping.

Vanuit het perspectief van integriteit roept de affaire Inholland een aantal vragen op, die mogelijk exemplarisch zijn voor het hoger onderwijs. Hoe heeft het kunnen gebeuren dat er 150 diploma’s te makkelijk zijn afgegeven? Welke overwegingen hebben hierbij een rol gespeeld? Waarom hebben docenten hieraan meegewerkt? Hoe zit dat bij andere hogescholen en universiteiten? Zou het kunnen zijn dat de wijze waarop het hoger onderwijssysteem is ingericht dit gedrag in de hand werkt?

Organisatiecriminaliteit

In deze affaire zien we twee belangrijke criminologische theorieën terugkomen die een belangrijke rol spelen bij organisatiecriminaliteit. In de eerste plaats de gelegenheidstheorie, die stelt dat criminaliteit (pas) voorkomt als er een gemotiveerde dader is, als er een slachtoffer (gelegenheid) voorhanden is en als er een gebrek aan toezicht is. Daarnaast treden na het plegen van het delict neutralisatiemechanismen in werking: ‘iedereen doet het’, ‘je doet er niemand kwaad mee’, ‘we hebben de premies hard nodig’, etc. Een ander belangrijk element dat vaak in verband wordt gebracht met organisatiecriminaliteit is de omvang van de organisaties en het bureaucratisch karakter. Door het opknippen van processen in kleine stukjes die allen door iemand anders worden uitgevoerd, heeft niemand meer het complete overzicht en voelt ook niemand zich meer verantwoordelijk voor het eindresultaat.
Een ander hiermee verband houdend element dat in het onderwijs wel eens een belangrijke rol zou kunnen spelen is een doorgeschoten invoering van bedrijfsmatig werken, wat ten koste van moreel besef en integriteit kan gaan.

De individuele docent of wetenschapper staat daarbij behoorlijk onder druk. Enerzijds moet hij of zij voldoen aan hoge (kwantitatieve) prestatienormen en wordt de druk gevoeld om niet te veel studenten te laten zakken voor een tentamen of werkstuk. Dat ziet het management immers niet graag. Aan de andere kant heeft hij of zij ook zichzelf daar mee. Want elk afgekeurd werkstuk betekent een nog grotere werklast omdat dan een herkansing extra moet worden nagekeken. En in het huidige klimaat kan de eeuwige discussie met ontevreden studenten die soms behoorlijk – zelfs fysiek – intimiderend kunnen zijn, ook wel een argument zijn om bij twijfel toch maar een zesje te geven. Bij een aantal van de recente gevallen van fraude met wetenschappelijke publicaties kan ook de vraag worden gesteld in hoeverre de doorgeslagen druk op aantallen publicaties in toonaangevende tijdschriften dergelijk gedrag niet ook ten dele uitlokt.

Tegenkracht organiseren

In dit kader geeft het rapport ‘Tegenkracht organiseren’ van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) een aanzet voor een oplossingsrichting. In het advies wordt met als vertrekpunt een analyse van de financiële sector, aan de hand van enkele overkoepelende observaties de blik gericht op sectoren als zorg, onderwijs en welzijn. In alle sectoren blijkt dat aanvankelijk productieve werkwijzen gaandeweg (onbedoelde) perverse effecten kunnen hebben. Het gemeenschappelijke tussen de financiële sector en andere maatschappelijke sectoren is onder meer gelegen in het falen van goede bedoelingen en in een verkeerde uitwerking van financiële prikkels. Het advies illustreert dit onder andere met de problemen bij HBO-instellingen.

De RMO geeft als aanbeveling om tegendruk te organiseren binnen de eigen organisatie, die bestaande handelingspatronen ter discussie kan stellen, hoe moeilijk dat soms ook is. Een dergelijke strategie zou de gelegenheidsstructuren uit de criminologie kunnen verstoren en betrokkenen minder handvatten geven om zich achter neutralisatietechnieken te verschuilen. Besturen van instellingen voor hoger onderwijs zouden deze tegendruk van harte moeten verwelkomen en faciliteren binnen hun instelling. Het bestuderen van het RMO rapport lijkt ook vanuit criminologisch oogpunt een goede eerste stap.

 

Meer weten?

Op de cursus aanpak bedrijfscriminaliteit leert u hoe u criminaliteit voorkomt in uw organisatie.

Op de opleiding Integriteitscoördinator in het publieke domein leert u hoe u komt tot een integriteitsbeleid voor uw organisatie.

Over Frank van Summeren

Frank van Summeren
Congres- en opleidingsmanager veiligheid bij het Studiecentrum voor Bedrijf en Overheid.

Bekijk ook

Wat is het verschil tussen business continuity en resilience?

De termen  “Business Continuity” en “Resilience” worden nogal eens door elkaar gebruik.  Voor sommigen is …

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *